Geschiedenis

NoordenlogoIn 1972 is er een boekje verschenen over de geschiedenis van “Het Noorden”. Het boekje, wat heel toepasselijk “Het Noorden” heet, is opgedragen aan Fiep Garos ter gelegenheid van de heropening van “Het Noorden” op 23 oktober 1972. Hieronder vindt u de digitale versie van dit boekje.

In de jaren dertig werd na de door de MV verzorgde lezingen vaak een biertje gedronken in café “Het Noorden”. In 1937 groeide het biertje drinken uit tot een wekelijkse gebeurtenis in café “Het Noorden” aan het Noordeinde 4, waar op de woensdagavond menig mijnbouwer te vinden was.

cafe

Na het overlijden van de eigenaar, Jan Garos, kreeg de MV het beheer over “Het Noorden”. Zo werd de MV in 1966 de eerste en de enige studievereniging in Nederland met een eigen café. Nog steeds is café “Het Noorden” op woensdag geopend voor de mijnbouwers om daar gezellig een biertje te kunnen drinken. Voor de Buitengewoon leden is op de eerste vrijdag van de maand de welbekende “Barbaraborrel”, waar mijningenieurs en ouderejaars mijnbouwstudenten hun ervaringen kunnen uitwisselen. Daarnaast is er op de eerste maandag van de maand de “eerstejaars borrel”, waar bijvoorbeeld één van de afstudeerrichtingen nader wordt toegelicht.

Voorwoord van de auteurs E. van den Brand en W. Kramer

Bij het samenstellen van dit korte stukje tekst over “Het Noorden” ontvingen wij van vele zijden waardevolle adviezen, waarvoor wij hier gaarne onze dank uitspreken. Speciaal de heer ir. J.J. Prins voor zijn impressie uit de tijd dat Jan Garos nog achter de tapkast stond en het gemeente-archief te Delft voor de belangeloze medewerking tijdens het vergaren van historische gegevens.

“Het Noorden”

Omstreeks het begin van de 15e eeuw werd in het gebied van Worm in Zuid-Limburg voor het eerst op min of meer regelmatige schaal steenkool gewonnen: de eerste mijnbouwers werden geboren. In dezelfde eeuw maakten nijvere ambachtslieden in Delft een begin met de bouw van de panden aan het Noordeinde en de Kolk. Of het samenvallen van deze twee gebeurtenissen te wijten is aan een kosmisch gebeuren, òf op louter toevalligheid berust, is in de geschiedenis niet na te gaan. Feit is echter dat in de huidige eeuw de historische ontwikkeling van beide gebeurtenissen culmineerde in de band tussen “Het Noorden” dat zich in dit pand bevindt, en de Mijnbouwers, waarbij Jan en Fiep Garos onmisbare factoren waren.

Veel is reeds geschreven over de historie van de mijnbouw, weinig over de geschiedenis van dit roemruchte pand. Nog minder is geschreven over de band die op deze plek tussen Mijnbouwers, Jan en Fiep Garos en “Het Noorden” ontstond. Het is dan ook de bedoeling om in de navolgende tekst een gedeelte van deze leemte op te vullen:

bordEeuwenlang heeft het pand weinig veranderingen ondergaan, maar rond de eeuwwisseling hebben drastische verbouwingen plaatsgevonden. Het is dan ook niet onwaarschijnlijk dat veel oorspronkelijke informatie over het huis bij deze veranderingen verloren ging. Gevoel voor historische waarde van één der eigenaren is er de oorzaak van dat we het pand toch nog kunnen dateren. Tijdens een verbouwing in 1898 is namelijk een gevelsteen aangebracht,
welke vermeldt dat het pand uit 1448 stamt, vermoedelijk gebaseerd op gegevens van een vroegere gevelsteen. Deze steen is nu ingemetseld aan de Noordeinde-zijde van het huis. Eén en ander zou betekenen dat het oorspronkelijke pand uit dezelfde tijd stamt als het naastgelegen Lutherse kerkje, dat nu historische waarde bezit.

oude noorden

Het feit dat eerst na ca. 1550 de huizen op afbeeldingen voorkomen kan te wijten zijn aan het niet voorhanden zijn van kunstenaars, die stadsgezichten als object voor hun kunnen uitkozen. Niet uitgesloten mag echter worden dat het pand met het daarnaast gelegen kerkje, kunstenaars in een “kwaad daglicht” stonden. Op de eerste gravures en steendrukken staat het huis namelijk onomwonden beschreven als “Dolhuys”. Bijgaande gravure is omstreeks 1730 vervaardigd en waarschijnlijk aan de hand van een oudere afbeelding, want uit de belastingregisters blijkt in 1645 een glazenmaker genaamd Jan Dirk het pand gekocht en bewoond te hebben, hetgeen geen “gekke gedachte” lijkt.
Op deze afbeelding springt onmiddellijk een bijzonderheid in het oog: de Noordeinde-gevel is van een strakke driehoekige vorm, terwijl die van de kolk een trapvorm heeft. Bekend is dat soms uit zuinigheidsoverwegingen de gevel strak werd gehouden, maar mogelijk is ook dat de gevels in verschillende perioden zijn gebouwd, hetgeen echter nergens waarschijnlijk wordt.

noorden 2Nadat in de 17e en 18e eeuw het pand diverse malen van eigenaar verwisselde, bereikt ons in de Napoleontische tijd wat meer informatie over de toenmallige bewoners. Volijverige ambtenaren gingen tussen 1815 en 1852 op pad om de eerste volkstelling te houden en dan wordt snel duidelijk dat bier en tapkast in een gedeelte van de tegenwoordige caféruimte, een vaste plaats hadden veroverd. Men had hierbij echter nog hulp van buitenaf nodig, want als“tapper” staat dan de uit Leiden afkomstige Tasferon geregistreerd. Sindsdien zien we in de annalen steeds weer een bewoner van het pand die het tappersambt uitoefent, al of niet gecombineerd met beroepen als spekslager en bakker. Vóór 1898 is de situatie zoals op nevenstaande afbeelding en zoals we zien is er bijzonder weinig veranderd in vergelijking met de
voorgaande gravure. Slechts de topgevel aan de Kolk-zijde is veranderd, vermoedelijk omdat deze in verregaande staat van verval begon te verkeren en zodoende gevaar opleverde. Zelfs indeling en aantal der vensters en deuren klopt nog nauwkeurig met de gravure.

Dit verandert echter in 1898. Op het Noordeinde 4 oefent de weduwe Vogel-de Goeyer nog steeds haar beroep van koffiehuishoudster uit, maar het pand aan de Kolkzijde wordt met bakkerij en winkelhuis verkocht. De nieuwe eigenaar vangt onmiddellijk aan met een verbouwing, waarvan het resultaat op de nevenstaande afbeelding te zien is. In het oog springend is de extra aangebrachte verdieping en het feit dat men de gevel van Noordeinde 4 in feite gewoon doormidden geknipt heeft. Het nieuwe hoekpand is in feite door het oude huis heen gebouwd,

wat er de oorzaak van is dat de indeling van de resterende panden een wat brokkelige samenhang vertoonde.
In deze toestand verkeerden de panden toen Petronella de Lijster, de moeder van Jan Garos, de panden in het begin van deze eeuw aankocht, dat wil zeggen de huizen aan het Noordeinde 4 en Kolk 2. Aanvankelijk bleef zij in de Poppesteeg wonen om eerst rond 1910 een café te openen op het Noordeinde. In 1913 wordt het huis aan de Kolk verbouwd, ter gelegenheid waarvan Jan en zijn broer Cornelis een steen leggen, welke zich ook nu nog in de pui van het pand aan de Kolk bevindt. In 1916 wordt dan als laatste huis het Noordeinde 4 verbouwd en in deze staat is het pand gebleven tot voor de laatste verbouwing.

Als Jan Garos in 1928 het café van zijn moeder overneemt, breekt de periode van Jan Garos, de Mijnbouwers en “Het Noorden” aan. Het is duidelijk dat zonder een beeld van de mensen die het café in de nu volgende jaren bevolkten, een verhaal over “Het Noorden” niet compleet zou zijn, vandaar de nu volgende impressie van een stamgast.
Bij de heropening van het vernieuwde “Het Noorden” doet het ons, oud-mijnbouwers, goed de oude tapkast terug te zien waarachter Jan Garos zijn, met krachtige termen doorspekte, raadgevende opmerkingen lanceerde. Een gemoderniseerde keuken van waaruit het moeilijk zal zijn evenwaardige gerechten te produceren zoals vroeger uit het kleine
keukentje door Fiep Garos, dat echter reeds voor 1940 vergroot werd.
Gemoderniseerde toiletten in plaats van het stel waarin je gratis een douche kreeg bij regen, en wat de behuizing betreft, is de levensgevaarlijke verbinding met een losse plank boven de binnenplaatsafgrond tussen Noordeinde en Kolk niet meer nodig. De oude mijnbouwerstafel is gelukkig -hoewel wat ingesleten- in volle glorie aanwezig.

Toen het mijnbouwerscentrum “Het Noorden” in 1931 meer vaste vorm ging aannemen werd besloten een mijnbouwtafel te laten maken. Deze was snel gemaakt en Prof. Caron werd bereid gevonden van het kopererts van Falun een koperen mijnwerkers-embleem te gieten. Toen het resultaat nogal wat gietgalletjes vertoonde, heeft Jan Groote, de amanuensis van Docimasie, het overgegoten en het resultaat prijkt nog steeds in het midden van de tafel. Deze mijnbouwersclub werd in het begin door sommige leden van de gezelligheidsverenigingen niet geaccepteerd, maar het fysiek van de mijnbouwers was wel zo krachtig dat ieder storend element al dan niet hardhandig de deur werd uitgewerkt. Echter de geest in “Het Noorden” en het eten van Fiep waren zodanig, dat zich na enige jaren ook een vaste kern van stamgasten niet-mijnbouwers gevormd had, waaronder de maker van het schilderij “Dorst”.
Meisjes en andere vrouwspersonen werden de eerste jaren geweerd. Een enkele maal werden een paar uitverkoren meisjes bij uitzondering toegelaten wanneer zij een biertje meedronken. Getrouwde mijnbouwers bestonden niet omdat dit de mogelijkheid om een baan te krijgen vrijwel nihileerde. Ook werd het een gewoonte dat de excursiegangers en “praktisch werkers” uit verschillende landen souvenirs meebrachten die de wanden gingen sieren. De afstudeerders begonnen bij Jan hun bierfeest te geven, waarbij in het begin geen familie of meisjes aanwezig waren. Soms vergat een enkeling weleens zijn rekening geheel of gedeeltelijk te betalen, hetgeen in Jan‘s boekje opgetekend stond, en het is weer tekenend voor hem, dat hij bepaalde, dat na zijn overlijden dit boekje vernietigd moest worden.

De na 1932 komende generaties mijnbouwers accepteerden Jan en Fiep als een bij mijnbouw behorende “instelling”, ook al waren zij lid van een gezelligheidsvereniging. Het café “Het Noorden” was nu langzamerhand een mijnbouwers-club geworden met bekende oude, vaste burgerklanten en de zondagse klaverjas-club, waarbij vaak als vierde man een mijnbouwer inviel.

Toen kwam de oorlog en het verzet, waarbij vanaf het eerste moment de mijnbouwers betrokken waren. Prof. Mekel was één van de eerste gefusilleerde verzetsmensen. De bezetting dreef de mensen naar elkaar, natuurlijk niet ineens, maar langzamerhand, en “Het Noorden” werd steeds meer Jan Garos en niet alleen voor mijnbouwers, maar vooral ook na sluiting van de Sociëteiten, voor vele anderen. Zijn hart was bij de studenten, mijnbouwers, Lagaroeiers, waarvoor Fiep in 1941 nog voldoende krachtvoer kon verstrekken. Zij was de tovenares, die in deze steeds moeilijker wordende etensbonnentijd een smakelijke maaltijd wist klaar te maken, zelfs tot in de hongerwinter 1944-“45.
Ofschoon je van tevoren op moest geven of je kwam eten, werden onverwachte gasten zelden met lege magen weggestuurd. Na het eten kwam het biertje en de gezelligheid. Jan stond als een rots achter de tapkast en klonk het: “Dag Jan, Ouwe Reus” Pilsje Ben? “Even naar de kelder ‘n nieuw vat aanslaan”. Met de gerantsoeneerde drankleveranties was er voor de stamgasten meestal wel iets te drinken. De trouwe zondagochtendklanten kregen van Jan nog tot laat in de oorlog een achter de hand gehouden borreltje.

Loyale toewijding en uiterste discretie waren de grootste verdiensten van Jan en Fiep, evenals hun aanhankelijkheid voor vele studenten en vooral voor diegenen, die in het verzet werkten. Zij namen daarvoor grote risico‘s. Er was ook een geheim luik waardoor de studenten bij razzia‘s naar de zolder van de naastgelegen kerk konden vluchten. In “Het Noorden” werden afspraken gemaakt, bijeenkomsten belegd en dingen besproken die illegaal waren. Jan en Fiep waren net als de drie aapjes: Zij hoorden niets, Zagen niets en Spraken over niets. De band tussen de mijnbouwers maakte dat zij zich als groep minder lieten kisten door de bezetters. Dit bleek uit het
percentage “tekenaars” en Duitsland gangers; het laagste van de T.H. “Het Noorden” werd een symbool van saamhorigheid van de mijnbouwers. Eén van de belangrijkste verzetsstrijders, de mijnbouwer Loet Hesselberg was een stamgast. Zijn ouders zaten in Indië gevangen. Hij was secretaris van het studentenverzet dat nauw samenwerkte met het landelijk verzet (o.a. verstrekken van valse persoonsbewijzen, distributiebonnen, voedsel etc.) Hij werd in begin 1945 tezamen met de regionale verzetsleiding gearresteerd en onder zijn schuilnaam gefussilleerd, waardoor dit feit lange tijd onbekend was.
Het is te begrijpen dat tussen Jan en Fiep en de mijnbouwers en vele andere studenten een hechte band ontstond, heel anders dan met de voor-oorlogse mijnbouwers.

Na de oorlog vormden zich spontaan het DSDG “Iam Repleatur Gario”, persiflage op de tekst van een traditioneel studentenlied met als zinspreuk “Ha, die Ouwe Reus” en als Gouden Erelid Loet Hes.

Als blijk van waardering voor alles wat zij gedaan hadden voor vele DSC leden mocht “Het Noorden” het Corps-wapen voeren. “Het Noorden” werd een vooral door studenten veel bezochte zaak. De woensdagavond was voor de mijnbouwers, waarvoor Fiep een goedkope avondmaaltijd maakte. Ook in het “Iam Repleator Gario”. ’t Keldertje en andere gezelschappen hadden vaste avonden.

Na het overlijden van Jan in 1966 werden ook deze beslommeringen voor Fiep te veeleisend en kwam de waarschijnlijke verkoop van de panden ter sprake. De oud-mijnbouwers zagen de mogelijkheid van een definitieve sluiting van “Het Noorden” aankomen en vele plannen en conferenties werden belegd, waarbij telkens de wens van Fiep en Cas naar voren kwam om -indien mogelijk- “Het Noorden” voor de mijnbouwers te behouden. Zelfs de mogelijkheid van aankoop door een consortium van oud-mijnbouwers werd ernstig onder het oog gezien.
De oplossing werd gevonden in verkoop aan de Delftse Studenten Gemeenschapp (DSG). Er werden afspraken gemaakt, waarbij weer vooral de inspraak van Fiep van groot belang was om “Het Noorden” voor de mijnbouwers te behouden. De exploitatie werd aan de Mijnbouwkundige Vereeniging opgedragen en een garantiefonds door oud-mijnbouwers snel bijeengebracht om eventuele negatieve resultaten op te vangen. Door de uitstekende manier waarop de MV zich van deze taak gekweten heeft, was het nog niet nodig dit fonds aan te spreken.

En nu wordt het vernieuwde Noorden geopend voor de MV-leden, die deze moeilijke tijden van oorlog en malaise slechts van horen zeggen kennen, maar die uit deze geschiedenis zien dat “Het Noorden” en de mijnbouwers nauw met elkaar verbonden zijn en dat de woensdagavond moet blijven. Wanneer dit geschiedt zoals in de laatste jaren en hieraan een inhoud gegeven kan worden, dan zal “Het Noorden” nog vele mijnbouw-avonden beleven. Op de steun van oud-mijnbouwers kan zeker gerekend worden.

De krantenadvertentie zoals deze werd geplaats bij de verkoop in 1906.