Geschiedenis



Het begin

In het jaar 1892 nam een viertal studenten in de Mijnbouwkunde het initiatief tot oprichting van een eigen studievereniging. Ongetwijfeld stond de initiatiefnemers R.J. Boers, A.W.F. Kerssen, E.A. Neeb en A.H. van Lessen een dergelijk initiatief voor ogen dat ruim een jaar eerder had geleid tot de oprichting van het Technologisch Gezelschap. Verweven als in die dagen de studie in de Mijnbouwkunde was met die der Chemische Technologie lag één en ander wel voor de hand, maar anderzijds had de Mijnbouwkunde duidelijk een eigen gezicht en zoiets is eigenlijk wel een eigen studievereniging waard. De hoofdzaak van de nieuwe vereniging, de derde studievereniging in Delft (Leeghwater bestond al sinds 1867), was de behartiging van de belangen van de mijnbouw studenten en de afgestudeerde mijnbouwkundig ingenieurs.

Mijnbouwkunde anno 1905

 De oprichting vond plaats op 1 oktober 1892, waarbij als eerste Bestuur optraden; A.H. van Lessen, president, en E.A. Neeb, secretaris. Met welke feestelijkheden de oprichting gepaard ging, hoe het de nog prille Mijnbouwkundige Vereeniging verging is vrijwel onbekend. Wat was namelijk het geval? Op een bestuursvergadering in oktober 1897 vroeg de toenmalige secretaris om een nieuw notulenschrift te mogen aanschaffen, aangezien het oude de tand des tijds niet had doorstaan. We laten het daarom aan de verbeeldingskracht van de welbegrijpende lezers over zich voor te stellen hoe het de Mijnbouwkundige Vereeniging in de oertijd verging.

In de beginjaren waren de statuten in druk verkrijgbaar voor een bedrag van 25 cent. Artikel 1 hield in dat de Mijnbouwkundige Vereeniging zich ten doel stelde de belangen van de “beoefenaren der mijningenieurswetenschappen en van de studeerenden in het mijnvak te bevorderen”. Het eerste bestuur bleef twee jaar aan, om het geheel goed op gang te brengen. Iedere student in de Mijnbouwkunde betaalde als contributie de som van één gulden, belangstellenden konden het Buitengewoon lidmaatschap aanvragen.

Reeds in 1897 werd de contributie niet onaardig verhoogd, tot een bedrag van 5 gulden. De Buitengewoon leden moesten toen 2 gulden gaan betalen. Deze bedragen wijzen er op dat het studeren in de Mijnbouwkunde en het lid worden van de Mijnbouwkundig Vereeniging in die jaren niet was weggelegd voor minder draagkrachtigen. Op 13 december 1897 werd het Mijnbouwkundig Leesgezelschap opgericht dat ten doel had zoveel mogelijk technische tijdschriften te verzamelen en ter beschikking te stellen aan belangstellenden. Dit was geen overbodige luxe gezien het feit dat de verzameling mijnbouwkundige werken in de bibliotheek niet erg uitgebreid was en bovendien achterhaald. Het Leesgezelschap was maar een kort leven beschoren want reeds na twee vergaderingen werd op 18 oktober 1899 besloten het te laten opgaan in de Mijnbouwkundige Vereeniging. Deze diende dan wel een ruimte beschikbaar te stellen om belangstellenden de technische tijdschriften blijvend te kunnen laten inzien. Daartoe werd in 1899 artikel 2 van de statuten van de Mijnbouwkundige Vereeniging als volgt gewijzigd: “Zij (de MV) tracht dit doel te bereiken door het houden van vergaderingen en lezingen en door het laten circuleren van technische tijdschriften”. Mede in verband daarmee werd toen besloten het aantal bestuursleden uit te breiden tot vijf. De bestuursleden werden op vergaderingen gekozen. Hierbij hadden de eerstejaars studenten geen stemrecht.

Ten behoeve van de leesportefeuille werd op een acht-tal tijdschriften een abonnement genomen. De tijdschriften werden door één der personeelsleden van de Polytechnische School aangebracht, een taak die later door de bekende firma Waltman werd verzorgd. Aanvankelijk konden geïnteresseerden intekenen op een begeerd tijdschrift, later kon men in een apart leeszaaltje terecht. Toen Mijnbouw in 1912 over een eigen gebouw kon beschikken, kreeg men een nog groter vertrek. Het gehele leesportefeuillegebeuren heeft het, zoals verderop zal blijken ruim 20 jaar uitgehouden. Met het kleine gezelschap van 13 leden waarmee de Mijnhouwkundige Vereeniging begon was het niet al te moeilijk de praktisch opgedane kennis onder elkaar te verspreiden en ter discussie te stellen. Dit had vooral zijn nut, omdat er op dat moment nog geen hoogleraar was benoemd in de praktijk van de mijnbouw. Eemnmaal in de 14 dagen kwam men om 8 uur ’s avonds bijeen om zo kennis te nemen van het werk van de mijningenieur. Bovendien werd er met het eerder genoemde Technologisch Gezelschap geregeld lezingen georganiseerd. Niemand zal verbaasd zijn over de onthulling dat na afloop nog vaak de avond werd voortgezet met een gezellig samenzijn, waarbij sterke verhalen over de belevenissen van de studenten tijdens excursies en het studeren in Clausthal de ronde deden. Omdat er in Delft nog geen mogelijkheid bestond om af te studeren in de Mijnbouwkunde, deed men dat in het Duitse Clausthal en Freiberg. De relatie tussen de Delftenaren en de Clausthalers was goed, maar er is een incident voorgevallen dat niet onvermeld mag blijven. De Pruisische geest die onder de Duitse studenten heerste werd vaak op de korrel genomen door de Delftse afstudeerders. Hun correcte groet en hakken geklap werd door de Delftse student beantwoord met een simpele armzwaai. Dankzij een verkeerde opmerking van één van de Delftse studenten tegen een Clausthaler ontstond voor hem een hachelijke situatie. De student kreeg het visitekaartje overhandigd van de door hem beledigde persoon. Niet op de hoogte van de Pruisische gedragscodes, verscheurde hij het kaartje nonchalant. Hierop kwamen twee secondanten hem vragen naar de tijd, plaats en keuze van het wapen. Hij was namelijk naar Pruisisch gebruik uitgedaagd voor een duel op leven en dood. Om zijn eer te redden nam hij de handschoen op en het werd een duel met pistolen, op twintig pas afstand, bij zonsopgang even buiten de stad. Toen het nieuws de andere Delftse studenten bereikte, probeerden deze de hele affaire nog te voorkomen. Dankzij hun slechte conditie kwamen zij net op tijd om getuige te zijn van de schotenwisseling. Geen enkele kogel trof doel, maar aan de eer was voldaan. Laat dit een wijze les zijn voor de toekomstige student; een grote mond is geen manier om je uit de problemen te redden.

 

Praktisch werk Limburg

 

 Tijdens de lezing bijeenkomsten werd geregeld op belangrijke personen een “salamander” gedronken. Dit was naar voorbeeld van het Delftse Studenten Corps, een gewoonte die zijn oorsprong had in het feit dat de meeste studenten lid waren van het Corps. Natuurlijk werd er ook bier gedronken, ieder uit zijn eigen kan. Het doet stellig niet vreemd aan te vernemen dat eind november de jaarlijkse viering van Santa Barbara plaats vond. In de latere jaren verwaterden deze gebruiken, mede doordat vaak niet-studenten lezingen hielden en eigen studenten steeds minder. In 1911 werd de gewoonte van het voortzetten van de avond weer opgepakt om “onder gezelligen kout en vroolijke liederenen voordrachten den band tusschen de leden in het algemeen en die tusschen de oudere-en jongerejaars in het bijzonder te versterken”. Dit was met het stijgend aantal studenten geen overbodige luxe. Als lokmiddel voor de jongerejaars trachtte men de lezingen niet te moeilijk te maken. Enige tijd later ontstond er de gewoonte om na afloop van de lezingen een souper te gebruiken, maar gedurende de Eerste Wereldoorlog kon dit gebruik geen stand houden. In 1920 werd het oude gebruik van een biertje na afloop van de lezingen weer hersteld, een gebruik dat het nu nog steeds volhoudt.


De Bloei

Financieel ging het de Mijnbouwkundige Vereeniging in die jaren voor de wind. Er was slechts een kleine contributieverhoging nodig om volgende jaarboeken het licht te kunnen laten zien en ook nog naar de gegadigden te kunnen verzenden. Dat er in het eerste jaarboek nog niets te lezen viel over excursies was geen wonder. Een jaar na de uitreiking ervan, in 1904, vond de eerste excursie plaats.

 

Geologische excursie

 

Men zocht het al direct in het buitenland, voorlopig nog het nabije buitenland waar plaatsen als Angleur, Moresnet en Bleyberg werden bezocht. Slechts derdejaars en ouder mochten er aan deelnemen, de Mijnbouwkundige Vereeniging beperkte zich tot de huishoudkundige organisatie. In het jaar daarop volgden excursies naar Stolberg, Diepenlichen en Bensberg, respectievelijk naar Gronau en Bentheim. Aan de opzet van de excursies werd in de loop der jaren niet veel veranderd, behalve dan in de omvang. Later volgde er een tiendaagse excursie naar de Eiffel en het Zevengebergte. Het succes van deze jaarlijks terugkerende evenementen was groot, de overweldigende belangstelling ervoor werd wellicht mede veroorzaakt door het feit dat er naast het wetenschappelijke gedeelte flink wat ruimte voor gezelligheid overbleef. Naast het veelvuldig samen zingen van allerlei liederen en gebruiken van drank behoorde daartoe ook het zwemmen. Dit is de reden waarom men meestal een locatie koos met een beek of een meertje in de buurt. Met de plaatselijke bevolking werd in die tijd een goed contact onderhouden, vooral op de dansvloer in bepaalde gelegenheden. In 1910 werd op verzoek ook een eerstejaars excursie gehouden naar Lünburg, Moresnet en Flone. Ruim een halve eeuw later zou een dergelijke excursie regel worden, iets waarop menige andere studievereniging jaloers was. Een bijkomend doel van deze excursies was de nieuwe studenten vertrouwt te maken met de specifieke mijnbouwgewoonten, hetgeen de eenheid onder hen zeer ten goede deed komen. Het gezamenlijk drinken van een stiefel alvorens af te dalen in de mijn droeg daartoe ongetwijfeld hetzijne aan bij.


 Donkere dagen voor de Vereeniging

Aan de voorspoedige groei van de Mijnbouwkundige Vereeniging kwam in het jaar 1907 abrupt een einde doordat er zich in dat jaar veel minder leden aanmeldden. Van 71 leden in 1906 viel men terug tot 48 in 1907. Dat verschijnsel dat nog enkele jaren aanhield had zijn doorwerking: het werd moeilijker om kandidaten te vinden voor het Bestuur, reden waarom het toen bestaande Bestuur drie jaar aanbleef. Er werden minder lezingen georganiseerd omdat er toch geen belangstelling voor was. Ook had het toenmalige drie-hoofdig Bestuur te kampen met ernstige financiële problemen, kortom men zat in een neerwaartse spiraal. Het voortbestaan van de Mijnbouwkundige Vereeniging leek zelfs bedreigd. Daarvan getuigde de oproep, geplaatst door één van de bestuursleden van het crisisbestuur, in het jaarboek van 1908:

“live and let live” is a good maxim,
but “live and help live” is a better.
 

Men deed grote moeite om met goede en interessante lezingen van mensen met veel praktijkervaring de jongerejaars, die meer dachten aan een snelle studie dan aan een gezellige studententijd, weer te bewegen om lid te worden. Verder werd er op initiatief van prof. Grutterink een wervende brochure samengesteld die hij deed toekomen aan alle eindexamenkandidaten in het gehele land. Eén en ander bleek effect te hebben; in 1910 meldden zich 25 nieuwe leden aan, in 1912 telde de Mijnbouwkundige Vereeniging alweer 66 gewone leden en 69 Buitengewone leden. Via een viermanschap ging het Bestuur tenslotte weer bestaan uit 5 leden. Dat de Mijnbouwkundige Vereeniging in het inmiddels geopende nieuwe gebouw voor Mijnbouwkunde een eigen kamer kreeg had natuurlijk ook zijn positieve doorwerking.

Er was echter geen reden om te vroeg te juichen want door het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog bleef men verstoken van de voor de Mijnbouwkundige Vereeniging zo belangrijke contributies van de veelal in het buitenland wonende Buitengewone leden. De door de oorlog veroorzaakte prijsstijgingen maakte het noodzakelijk de contributie te verhogen tot 6 gulden. De Mijnbouwkundige Vereeniging zou de Mijnbouwkundige Vereeniging niet zijn als men er niet in zou slagen om desalniettemin het 25-jarige bestaan in 1917 op passende wijze te vieren. Natuurlijk kon dat in die dagen niet met een excursie naar het buitenland, maar in plaats daarvan maakte men een uitstapje naar de Haagse gasfabriek. Daarna was er een receptie en een diner voor de reünisten in, alweer in Den Haag, het hotel “De Twee Steden”. Uit eigen middelen hadden de leden geld bijeen gebracht om na de feestlezing het Bestuur insignes aan te bieden.

Na het beëindigen van de Eerste Wereldoorlog ontstonden er problemen bij de mijnen in Zuid-Limburg. Hier waren gedurende de oorlog veel geïnterneerde Belgische mijnwerkers te werk gesteld die toen echter weer naar huis terugkeerden. Een tekort aan kolen dreigde door de teruglopende produktie, te meer daar men geen beroep kon doen op de door de oorlog uitgeputte omringende landen. Toen bedacht men dat dit een unieke kans zou zijn voor de mijnbouwstudenten om hun opgedane kennis in de praktijk te brengen door tijdelijk als opzichter in de kolenmijnen te werken. Met de hoogleraren werd geregeld dat men geen schade in zijn studiebeloop zou ondervinden door het niet kunnen deelnemen aan tentamens tijdens het verblijf in Zuid-Limburg. Alles was geregeld aan de Delftse kant, maar al spoedig bleek bij gesprekken tussen de mijndirectie en de Mijnbouwkundige Vereeniging dat men eigenlijk meer behoefte had aan ervaren houwers dan aan opzichters…

Betere tijden

Heel geleidelijk braken er na het beëindigen van de oorlog voor de Mijnbouwkundige Vereeniging betere tijden aan. Het aantal mijnbouwstudenten nam sterk toe, zo sterk zelfs dat men zich ongerust maakte of er later voor allen wel een baan te vinden zou zijn. Het animo om lid te worden van de Mijnbouwkundige Vereeniging was gelukkig weer gegroeid; het ledenbestand was uitgegroeid tot 160. Toch was de financiële situatie nog zeer matig, doordat de Buitengewoon leden hun verplichtingen onvoldoende nakwamen. Pas in 1922 zou het lukken om via de Vereeniging van Ingenieurs bij des Lands Mijndienst weer over de achterstallige contributie te kunnen beschikken. Maar daar had men in 1920 toen de Mijnbouwkundige Vereeniging een schuld had van 2 mille niet echt veel aan. Dit leidde er in 1921 toe dat men zich voor de keuze gesteld zag om hetzij geen jaarboek uit te brengen, hetzij de leesportefeuille af te schaffen. Vooral met het oog op de Buitengewone leden werd tot het laatste besloten. Tevens werd het jaar daarop besloten om de gehele verenigingsbibliotheek te gaan verkopen. Een groot deel van de verenigingsbibliotheek kon worden overgenomen door de bibliotheken van de T.H. en van de Afdeling. Men ziet maar weer hoe de Mijnbouwkundige Vereeniging niet alleen maar nuttige daden verricht voor haar leden maar ook voor de T.H. gemeenschap zelf. Weliswaar kwam hiermee een einde aan één van de taken van de Mijnbouwkundige Vereeniging, maar gelukkig was men nu wel bevrijd van de schuldenlast en daardoor een dreigend faillissement en het Bestuur was bevrijd van het tijdrovende werk dat verbonden was met het beheer van de bibliotheek. Overigens dient wel te worden vermeld dat die niet al te frequent door de leden werd geraadpleegd.

 

De koffiekamer, nu de huidige kantine

 

In 1918 was de Mijnbouwkundige Vereeniging verhuisd naar een nog wat groter vertrek, dat ook wel koffiekamer werd genoemd. Dit ondanks het feit dat er geen koffie te krijgen was (in het hele gebouw voor Mijnbouwkunde trouwens niet). Daarin kwam verandering toen de docent Bliek aan L.J. van der Valk opdracht gaf om voor de gehele Afdeling thee, weldra gevolgd door de nieuwe opdracht voor koffie, te verzorgen. Zo werd Valk een belangrijke ontmoetingsplaats voor de studenten, die hier in hun vrije tijd ook nog een kaartje konden leggen. Na het instellen van een officiële kantine werd op aandringen van prof. J.E. de Graaf het bedrijf Valk in stand gehouden met een eigen ruimte, die hij heeft gebruikt tot aan zijn pensioen. Gezien de financiële middelen heeft de Mijnbouwkundige Vereeniging haar zesde lustrum wel gevierd, maar niet op een al te uitbundige wijze. Juist in die jaren kreeg de vereniging meer financiële armslag, enerzijds doordat de achterstallige contributies van de in het buitenland wonende Buitengewone leden konden worden geïnd, anderzijds door een grotere toeloop van studenten naar de T.H. en dus ook naar Mijnbouw. Voorshands daalde daardoor de gemiddelde leeftijd van de leden van de Mijnbouwkundige Vereeniging.

In deze jaren werden ook studiehervormingen doorgevoerd, waaronder een poging tot bekorting van de studieduur. De studieprogramma”s moesten doelmatiger worden ingericht en het programma van de latere jaren moest meer gericht worden op de afstudeerrichting. Voor Mijnbouwkunde werd echter een uitzondering gemaakt, aangezien het werk in bepaalde ver weg gelegen delen van de wereld een bepaalde veelzijdigheid vroeg en verwacht werd dat men ook buiten zijn specialistische afstudeerwerk in staat was tot handelen in andere onderdelen van de Mijnbouwkunde.

 

Afstuderen in juni 1926

 

Bij deze hervormingen deed ook de Mijnbouwkundige Vereeniging van zich spreken: men diende een verzoek in om bij de benoeming van nieuwe hoogleraren in de Mijnkunde en de Ertskunde te letten op het feit of men naast diepgaande kennis ook over voldoende praktijkervaring beschikt. Bovendien diende de nieuwe docenten in staat te zijn hun kennis duidelijk te kunnen overdragen aan de studenten. Aan het begin van het cursusjaar 1925-1926 was er nog steeds geen respons.

Hierop stuurde de Mijnbouwkundige Vereeniging een verzoek naar de Minister. Kort daarna konden door tussenkomst van de Mijnbouwkundige Vereeniging de hoogleraren ir. C.L. van Nes en ir. H.F. Grondijs benoemd worden. Eén en ander had tot gevolg dat, mede in overleg met de Mijnbouwkundige Vereeniging, het studieprogramma inhoudelijk flink werd gemoderniseerd. Tevens werd het laboratorium voor metallurgie uitgebreid en werd er door prof. Grondijs begonnen met de aanleg van een ertswasserij. Deze werd in 1927 in gebruik genomen en zou later worden vernoemd naar zijn oprichter: het Grondijs-laboratorium. Het lustrum van 1927 had voor de Mijnbouwkundige Vereeniging als financiële consequentie dat na 1926 pas in 1929 weer een jaarboek kon worden uitgegeven. Men had daardoor veel in te halen, het gevolg was dat het komende jaarboek maar liefst 640 bladzijden telde, een sindsdien ongeëvenaard record. Geleerd door het voorgaande trachtte men sindsdien de jaarboeken jaarlijks te doen verschijnen, ze konden dan meteen dunner worden. Om de band tussen de studenten en de afgestudeerden te vergroten poogde men de leden in den vreemde te bewegen tot het insturen van voor de Mijnbouw interessante artikelen.

De Mijnbouwkundige Vereeniging besefte evenzeer het belang van het aanhalen van de band tussen studenten en hoogleraren. Daarbij gaf men extra veel aandacht aan mutaties in het hooglerarencorps, zo bijvoorbeeld bij het aftreden van de hoogleraren Molengraaff en Brouwer en het aantreden van prof.dr.ir. J.A.A. Mekel en prof.dr. J.H.F. Umbgrove. Hun veelvuldig advies aan de Mijnbouwkundige Vereeniging is de vereniging zeer ten goede gekomen. Toen in de jaren dertig het aantal studenten aan de afdeling snel toenam en ook het studieprogramma weer werd uitgebreid had dit, juist door toedoen van de Mijnbouwkundige Vereeniging, niet het gevolg van vervreemding van de studenten en docenten, een verschijnsel wat zich helaas wel bij menig andere Afdeling wel voordeed. Ook in de Centrale Commissie van Studiebelangen speelde de Mijnbouwkundige Vereeniging een belangrijke rol.

 

Het uitdelen van de lampen bij het 9e lustrum

 

Opening 9e lustrum in collegezaal E

 

Een heel andere activiteit voltrok zich in een klein cafeetje aan het Noordeinde, waar sinds 1931 de eigenaar Jan Garos een goedkope edoch voedzame maaltijd verzorgde voor studenten die ten gevolge van de crisis in financiële problemen dreigden te komen. Crisis of geen crisis, in 1932 werd het lustrum van de Mijnbouwkundige Vereeniging op gebruikelijke wijze gevierd met recepties, lezingen en een feestmaaltijd. De belangstelling voor de lezingen was wel heel wat minder dan die voor de andere evenementen. Trouwens, dat was ook meer en meer het geval bij de normale lezingen en wel het duidelijkst bij de jongerejaars. Dat lag stellig niet aan de inhoud van de lezingen: behalve over technische aspecten gingen die vaak over de avonturen die de mijnbouwer in verre landen beleefde of over onderwerpen van meer beschouwelijke aard. Zo hield prof.dr. H.J.J. Jordan in 1933 een lezing over “Het wezen van het leven, gezien in het licht van de evolutie.” Zou zo een onderwerp nu nog voldoende luisteraars weten te trekken? Toen lukte het wel, mede doordat er annex de lezingen meer plaats werd gemaakt voor gezelligheid. En zoiets komt uiteraard het verenigingsleven ten goede.

In 1933 deden zich nieuwe problemen voor, vooral niet betrekking tot het gebeuren op de Afdeling. Een in dat jaar door de Mijnbouwkundige Vereeniging ingestelde commissie die een onderzoek moest instellen tot verbetering van de studieregelingen werd nog in dat zelfde jaar alweer opgeheven. Men had onderkend dat zo een commissie geen zin had zolang de docenten niet zouden meewerken. Uiteindelijk werd wel een mager resultaat bereikt, maar wezenlijke verbeteringen bleven in die dagen uit.

Mede door de al eerder genoemde crisis bleven in 1934 en 1936 de jaarboeken uit, maar de schade wist men in te halen met het negende lustrum in 1937. Als belangrijk onderdeel van de viering had men het gebouw voor Mijnbouwkunde omgetoverd in een drie verdiepingen tellende kolenmijn. Bij de ingang werden de noeste gelegenheidsmijnwerkers op penningen gecontroleerd. Uiteraard kregen zij ook een mijnlamp uitgereikt. Het was voor de eerste keer dat het café “Het Noorden” in de feestviering werd betrokken; men kon hier terecht van 5 uur des morgens tot diep in de nacht. Het drie dagen durende feest werd afgesloten met een groot diner in “Bagatelle” in Den Haag. Men kon zich er toen niet van bewust zijn dat de viering van het volgende lustrum niet mogelijk zou zijn.


De vereniging tijdens de Tweede Wereldoorlog

Het lijkt nauwelijks nodig om in dit verhaal een overzicht te geven van de gebeurtenissen in Nederland, en in het bijzonder van die van de Nederlandse universiteiten en hogescholen gedurende de Tweede Wereldoorlog. We richten ons slechts op die gebeurtenissen waarbij de Mijnbouwkundige Vereeniging een rol heeft gespeeld

In feite gaat het om drie belangrijke gebeurtenissen: het ontslag van de joodse hoogleraren in november 1940, de razzias op studenten in 1943 en de beruchte loyaliteitsverklaring ook in 1943.

Het ontslag van de joodse hoogleraren leidde in Delft en in Leiden tot protesten, in Delft van de zijde van de studenten, in Leiden van die van de hoogleraren. Bekende namen zijn daarbij Frans van Hasselt en Willem Pahud de Mortanges. Na diens gevangenneming door de bezetter werd zijn rol overgenomen door de mijnbouwstudent Ruud von Nordheim, die zowel in Delft als landelijk een groot aandeel had in het studentenverzet. De acties in november 1940 leidden tot een tijdelijke sluiting van de T.H. De gezelligheidsverenigingen namen het initiatief om zich op te heffen, toen het bekend werd dat het voor joden verboden was om nog langer lid te zijn van een niet-commerciële vereniging. Het gevolg was dat een café als dat van Jan Garos min of meer de rol van ontmoetingscentrum overnam. De Senaat van het Delftsch Studenten Corps installeerde de Commissie van Acht om het onderlinge contact tussen de studenten na de opheffing voort te zetten. Landelijk ontstond er de Raad van Negen. In beide gevallen speelde de mijnbouwer Von Nordheim een zeer belangrijke rol. Ook de Mijnbouwkundige Vereeniging hief zich op, in het begin van 1941. De leden had men opgeroepen om voor het lidmaatschap te bedanken. De Mijnbouwkundige Vereeniging bestond nu nog slechts uit vijf bestuursleden die het noodzakelijke werk voortzetten en daartoe in de Afdeling een Contactcommissie in het leven riepen. Uiterlijk leek het alsof men het oude leven voortzette. De viering van het tiende lustrum in november 1942 werd op het laatste moment afgelast, mede vanwege geruchten over dreigende deportatie van studenten. Heel wat mijnbouwstudenten verlieten Delft om in de Limburgse mijnen te gaan werken en zodoende uit handen van de Duitsers te blijven. Anderzijds oogstte dat kritiek omdat men hiermee de Duitse oorlogsindustrie indirect steunde.

Een aanslag op de Duitse generaal H.A. Seifardt in februari 1943 die op zijn sterfbed zou hebben gemompeld dat daarbij studenten in het spel waren leidde alom in den lande tot razzias op studenten. De daarop volgende verwikkelingen culmineerden in de eis van de bezetter tot het tekenen van een loyaliteitsverklaring door de studenten. Men mocht pas verder studeren als men had getekend en dat hield in dat men zich niet in zou laten met acties gericht tegen de bezetter en de regering. Deed men dit niet dan was men in feite vogelvrij. Voor veel studenten was in deze moeilijke dagen prof. Grondijs een toegewijd raadsman. Het percentage tekenaars van de loyaliteitsverklaring onder de mijnbouwstudenten was van alle afdelingen van de T.H. verreweg het geringste.

Al dan niet vanuit “Het Noorden”, waar later heel wat studenten dankzij de hulp van Jan Garos konden onderduiken (ondermeer in de gewelven waar nu de entourage van een kolenmijn wordt opgeroepen), verrichtten Delftse studenten, en met name mijnbouw studenten veel illegaal werk. Helaas vielen daarbij ook slachtoffers, van de Afdeling der Mijnbouwkunde percentueel gezien de meeste. Het stimulerende voorbeeld van prof. Mekel, die al in 1942 door de Duitsers was gefusilleerd, heeft daartoe ongetwijfeld het zijne bijgedragen. Het is dan ook niet verwonderlijk dat bij de “zuiveringen” die de Technisch Hogeschool na de bevrijding onderging, de Afdeling der Mijnbouwkunde de eerste was die weer aan het werk mocht gaan.


De Wederopbouw

Eén van de eerste opgaven die de Mijnbouwkundige Vereeniging na de oorlog naar zich toe trok was het bijdragen aan een zo snel mogelijke voltooiing van de studie van diegenen die door de oorlog waren gedupeerd. Daartoe werd in samenwerking met prof. Grondijs en een aantal hoogleraren een speciaal studieprogramma opgezet. Op 9 juni 1945 werd in sociëteit Phoenix door prof. Grondijs te samen met een aantal vertegenwoordigers uit het bedrijfsleven een urgentie programma opgesteld dat reeds drie dagen later door de afdeling werd goedgekeurd.

De ouderejaars mochten dit programma volgen mits zij tevens een aanstelling bij één of andere maatschappij hadden verkregen. De taken van de Mijnbouwkundige Vereeniging werden steeds uitgebreider. Dankzij de Centrale Commissie werden de contacten met de andere studieverenigingen nader aangehaald. Door de Centrale Commissie werd in de zomermaanden een financiële reorganisatie voorgesteld waarbij de contributie voor de studievereffigingen en ook een verplichte bijdrage voor een studentenblad centraal zouden worden geregeld. Natuurlijk gaf de Mijnbouwkundige Vereeniging daaraan haar goedkeuring. Voorts besloot men dat de verkiezingen van bestuursleden van de Mijnbouwkundige Vereeniging weer op de oude manier zou plaats vinden.
Een geheel andere activiteit betrof een vergadering op 11 januari 1946 waaraan, naast de Mijnbouwkundige Vereeniging, de geologen uit de andere universiteitssteden deelnamen. Hier werd de basis gelegd voor de Nederlandse Geologische en Mijnbouwkundige Studenten Organisatie, NGMSO, die probeerde de banden tussen beide studies te verstevigen door het jaarlijks houden van een gezamenlijk congres. De leiding en de organisatie van het congres geschiedde bij toerbeurt in Delft, Amsterdam, Utrecht, Leiden en Groningen. Natuurlijk spaarde men de organisatoren geen kritiek; het leek wel of Delft daar een extra groot aandeel in had, vooral als de leiding in andere handen lag. Minder succes had de Mijnbouwkundige Vereeniging helaas in haar pogingen om te komen tot een internationale federatie van geologische en mijnbouwkundige studenten. De jaarlijks, in een groot deel van Europa, gehouden Barbarafeesten brachten Delft er nadien toe om in eerste instantie te samen met Helsinki te komen tot een federatie van mijnbouwkundigen en metallurgen, wellicht een iets verstandiger combinatie. Dit initiatief is later uitgegroeid tot de bekende internationale weken, een gebeuren dat voor elke aanwezige mijnbouwstudent een hoogte punt in zijn studieloopbaan werd. Het duurde tot in de jaren zestig voordat de Mijnbouwkundige Vereeniging zelf een internationale week zou gaan organiseren.

Op 3 mei 1947 werd in het kader van de nationale herdenking van de gevallenen in de Tweede Wereldoorlog met een toespraak van de toenmalige president der Mijnbouwkundige Vereeniging, de student P.J. Muyskens, de onthulling van het gedenkraam in het gebouw van Mijnbouwkunde ingeluid. In dit gebrandschilderde raam waren de namen van diegenen van de afdelingsgemeenschap aangebracht die in de oorlog waren omgekomen. Tijdens de toespraak die werd bijgewoond door familieleden van de slachtoffers en vele verdere belangstellenden wees de president er op dat het verwezenlijken van datgene waar de slachtoffers voor waren gevallen een doel voor ons allen dient te zijn. De gevallenen zullen op hun eigen wijze in de gedachten van de aanwezigen blijven voortleven. Hierna wees prof. Grutterink in zijn toespraak op het door de bezetter in de Nederlanden geleden leed in ons land dat gedurende een periode van meer dan een eeuw geen oorlog had gekend. Vervolgens aanvaarde de secretaris van de Technische Hogeschool, dr.mr.dr.ir. A.R. Veldman, namens het college van curatoren dit gedenkteken. De bijeenkomst werd besloten met een plechtig Wilhelmus. Inmiddels hernam het normale leven steeds meer zijn gang. De Mijnbouwkundige Vereeniging was druk in de weer om op de gebruikelijke manier weer een waardig jaarboek te laten verschijnen. Daarin kon de sluiting van de T.H. gedurende twee wintermaanden op grond van kolengebrek geen verandering in brengen. Wat wel een probleem bleek te zijn was het feit dat men door die sluiting een aantal leden moeilijk kon bereiken; zo een periode beinvloedt natuurlijk ook het bezoek aan lezingen en aan café “Het Noorden” ongunstig.

Het jaar 1947 kon van nog meer activiteiten van de Mijnbouwkundige Vereeniging getuigen. Voor het NGMSO-congres werd een reglement opgesteld en verder werden er plannen doorgesproken voor het organiseren van een internationaal congres, ook nog in 1947. Dit congres werd een groot succes, het droeg tevens bij tot het leggen van goede internationale contacten met buitenlandse mijnbouwkundige en geologische verenigingen. Eén en ander leidde er toe dat men kon overgaan tot de oprichting van het IFSGM, een overkoepelende organisatie ter behartiging van de belangen van mijnbouwkundige en geologische verenigingen.
De viering van het elfde lustrum in het najaar van 1947 werd ondanks enkele eerder genoemde problemen een groot succes. De gebruikelijke feestelijkheden hielden naast de jaarboekuitreiking en excursies ook in een voetbalwedstrijd tussen mijnbouwers en Amsterdamse geologen. Hoe vriendschappelijk deze ook bedoeld mocht zijn, toch bleek dat de voetbalgewoonten van beide partijen niet geheel dezelfde waren.

In het jaar 1949 bereikte een der Buitengewone leden van de Mijnbouwkundige Vereeniging, prof.ir. C.L. van Nes, zijn pensioengerechtigde leeftijd. Als dank voor het zeer vele dat hij voor de vereniging had gedaan, werd hem het Gouden Erelidmaatschap uitgereikt, een onderscheiding die hem bij de receptie na afloop van zijn afscheidscollege te samen met andere geschenken, zoals een fototoestel, werd aangeboden.
In hetzelfde jaar had Delft de leiding van het NGMSO-congres, ongetwijfeld een waarborg voor een goed geslaagd evenement. Wel zagen de Delftenaren hun vooroordelen over geologen tijdens het diner in de Prinsenkelder en het gebruikelijke biertje bij Jan Garos duidelijk bevestigd…
In vele opzichten ging het de Mijnbouwkundige Vereeniging in die jaren zeer goed, men kreeg een groeiend aantal leden, het bezoek aan allerlei activiteiten nam toe, zaken die ook weer inspirerend werkten om zich verder in te zetten voor de Vereeniging. Een algemene kleine inzinking in 1952 had echter ook zijn doorwerking bij de MV. Het jaarboek 1952/1953 werd in een ander lettertype uitgevoerd dan normaal en het was door de redactie zelf op de huisdrukkerij van de T.H. gedrukt. Zo kon men komen tot een ook voor de vereniging nodige kostenbesparing. Gelukkig bleef het slechts tot een eenmalige oplossing van geldproblemen. In dat jaar werd de beroemde Maarten-schoot-in-de-Ggracht penning ingesteld, een eerbetoon aan diegene die zich in de afgelopen periode bijzonder voor de Vereeniging had ingezet. De uitreiking van de penning op een wel zeer speciale manier vormde een der hoogtepunten voor Jan Garos in zijn contacten met de Mijnbouwkundige Vereeniging.
Een uitzonderlijk gebeuren was de zeer forse overwinning van de ouderejaars in hun gebruikelijke voetbalwedstrijd tegen de jongerejaars: een einduitslag 5-0. Gedurende hun verblijf aan de TH bleek de Mijnbouwer meer vaardigheden aan te leren dan formeel in het curriculum te leren viel.
Het bleven jaren van groei, meer leden, meer bezoek aan “Het Noorden”, maar anderzijds geen corresponderende toename van bezoekers aan verdere activiteiten, die meestal werden georganiseerd door een select groepje van ouderejaars. Men diende nieuwe belangstellenden voor al die taken te vinden naarmate de ouderejaars afstudeerden en via het bedrijfsleven uit Delft vertrokken. Een lichte paniek brak uit toen in 1956 berichten de ronde deden over het feit dat Jan Garos de pensioengerechtigde leeftijd had bereikt en zich wellicht op een andere activiteit zou willen gaan richten.

Wat zou er van de Mijnbouwkundige Vereeniging terechtkomen zonder “Het Noorden”? Weliswaar was een aantal jongerejaars deze plek voornamelijk als een eetetablissement gaan beschouwen, het merendeel van de leden begreep dat “Het Noorden” meer functies had en toonde dat zeer geregeld. Achteraf kan men nu stellen dat de ongerustheid onnodig was, dat men “Het Noorden” op zijn merites bleef beoordelen. De drijvende motor, Jan Garos, kende men toen zeer terecht het Gouden Erelidmaatschap toe. Ondertussen was men al weer druk in de weer met de voorbereiding van het dertiende lustrum. De uitslag van de intergeologische en mijnbouwkundige voetbalwedstrijd was door de grote overwinning die Delft toen boekte hoopgevend voor verdere successen. Geheel in rijm met dit resultaat was het hoogste woord dat Delft zich aanmatigde bij congressen. Een excursie naar Limburg kon door de daar heersende malaise niet plaats vinden, maar men wist zich zeer goed te behelpen door na enig speurwerk een mogelijkheid te vinden om naar het nabije buitenland te gaan: kolenmijnen in België en Frankrijk werden bezocht, maar de daar heersende gedragscodes waren zeker niet die van de Delftenaren. Daar werd dus bij een volgende gelegenheid rekening mee gehouden.
Twee jaar later, in 1959, werd tijdens verschillende vergaderingen de wens geuit dat het bestuur zich ter betere herkenbaarheid bij officiële evenementen in “kittels” moest vertonen. Dit leidde er toe dat men overging tot het aanschaffen van de welbekende mijnbouw-blauwe vesten.


De jaren zestig en zeventig

Op 21 april 1960 tekende men een mijlpaal in het bestaan van de Mijnbouwkundige Vereeniging: voor de eerste keer in haar bestaan werd er door de Mijnbouwkundige Vereeniging een internationale week georganiseerd. Bij de eerder gehouden Barbara-feesten in allerlei landen had men een goed voorbeeld voor zo een evenement gehad, maar het zelf organiseren van een internationale week brengt nog wel heel wat problemen met zich mee. Onder de naam “eMViesta” ging dit acht dagen durende feest van start. Er waren gasten uit vele plaatsen: Clausthal, Berlijn, Parijs, Nancy, Londen, Sheffield, Stockholm, Helsinki, Zagreb, die nu eens duidelijk kennis konden nemen van het Nederlandse, in het bijzonder het Delftse en meer in het bijzonder het mijnbouwstudentenleven. Dat gebeurde illustratief door bezoeken aan de diverse studentenverenigingen, terwijl verdere verschillende bedrijven gastheer waren voor dit internationale gezelschap. Hoogtepunt was het afsluitende gala, gehouden in het stemmige gebouw van Mijnbouwkunde.

Groot was de ontzetting bij de mijnbouwers toen kort na die feesten het sombere bericht werd ontvangen over een ziekte die Jan Garos had geopenbaard. Men vreesde dat er een einde zou komen aan de befaamde Noordenavonden. Vele mijnbouwers bezochten Jan aan zijn ziekbed, de band tussen hem en de Mijnbouwkundige Vereeniging werd zo nog verder versterkt. Zo kon men gelukkig ook getuige zijn van het, helaas slechts tijdelijk, herstel van Jan en was het voortbestaan van “Het Noorden” voorlopig verzekerd.
Toch waren er nog wel zorgen, van geheel andere aard overigens. Er was een andere mentaliteit op de T.H. en ook bij Mijnbouwkunde ontstaan, het was niet ondenkbaar dat dat zou doorwerken op het reilen en zeilen van de Mijnbouwkundige Vereeniging. Het was niet de bedoeling af te zakken naar het peil van een willekeurige andere studievereniging. De band tussen de studenten onderling en ook die tussen hen en de afgestudeerden diende gehandhaafd te blijven. En extra probleem daarbij was dat Jan Garos niet meer in staat was voor de maaltijden te zorgen, hetgeen met zich meebracht dat het bezoek aan “Het Noorden” terugliep. De situatie werd op de algemene ledenvergadering uitvoerig onder ogen gezien, hetgeen resulteerde in het besluit om “Het Noorden” pas om 9 uur open te stellen. In de enigszins kortere periode dat men “Het Noorden” zou vertoeven zou de concentratie der Noordengangers toenemen, dus ook het contact tussen hen.
Wat eerder te voorzien was vond plaats in de loop van het voor de Mijnbouwkundige Vereeniging fatale jaar 1964. De gezondheidstoestand van Jan Garos ging zienderogen achteruit. Nog eenmaal, op 5 maart van dat jaar, was hij getuige van een ouderwetse Noordenavond toen de Mijnbouwkundige Vereeniging liefst vier nieuwe Ereleden inwijdde. Een half jaar later, op 12 September 1964, kwam echter het droeve bericht van het overlijden van Jan Garos. Een gevoelig verlies niet alleen voor zijn familie maar zo mogelijk nog meer voor de Mijnbouwkundigen Vereeniging. Niet ten onrechte voorzag men in “Het Noorden” de gevaren die het voortbestaan van de vereniging bedreigden. Het zou acht jaren duren voor een bevredigende oplossing zou worden gevonden voor de problemen waar de vereniging mee kampte.
De omzetting van de Centrale Commissie voor Studentenbelangen in de Vereniging voor Studie- en Studenten belangen, de VSSD, maakte een statutenwijziging nodig. Voorts werd voor de zoveelste keer een onderzoek ingesteld naar de oorzaak dat mijnbouwstudenten zoveel langer over hun studie deden dan de nominale vijf jaar.
De eerder genoemde zorgen over het voortbestaan van “Het Noorden” hun stempel op het verenigingsleven. Tijdens een vergadering op 18 juni 1964 kreeg de Mijnbouwkundige Vereeniging tot 31 december 1965 de optie op panden Noordeinde 4 de Kolk 2a. Omdat er in de tussentijd een oplossing moest worden gevonden, ging men over tot het instellen van een commissie die moest onderzoeken of er een rendabele manier was om zelf de exploitatie van “Het Noorden” voort te zetten. De commissie trad in langdurige onderhandeling met de stichting “Delftse Studenten Gemeenschap” en de “Centrale Stichting Delftse Studentenhuisvesting”. Men besloot tot de aankoop van beide panden, die in handen kwamen van het Delfts Studenten Corps waarbij de Mijnbouwkundige Vereeniging “Het Noorden” huurde van de nieuwe eigenaar. Eén en ander bracht met zich mee dat de Mijnbouwkundige Vereeniging een sociëteitvergunning diende aan te vragen, wat weer een aanpassing van de statuten nodig maakte.
Er veranderde in die dagen meer in de afdeling. Na klachten besloot het afdelingsbestuur de afstudeerceremonie, zoals die vroeger door de studenten en de Mijnbouwkundige Vereeniging werd georganiseerd, grondig te wijzigen. Bullen werden op gezette tijden in een speciale vergadering van de examencommissie aan de jonge ingenieurs uitgereikt, waarbij de afstudeerdocent, al naar gelang zijn aard, een lange of korte, kritische of vriendelijke rede hield tot de afgestudeerde. Na afloop was er een receptie in “Het Noorden”. Ten gevolge van de democratisering en het in werking treden van de WUB, Wet Universitaire Bestuursvorming, werden de taken van de studenten in het universitaire bestel uitgebreid. Zo moest de Mijnbouwkundige Vereniging leden gaan leveren in het afdelingsbestuur en in de onderwijscommissie; ze moesten langs democratische weg worden gekozen. Verder werd in overleg met de afdeling het lezingenbeleid veranderd. Lezingen betreffende specifieke mijnbouwkundige of geologische onderwerpen werden meer gezien als taak van de afdeling terwijl lezingen met een meer sociale of economische inslag tot de taak van de Mijnbouwkundige Vereniging gingen behoren.
In samenwerking met de afdeling Mijnbouwkunde hield de Mijnbouwkundige Vereeniging een enquête onder de tussen 1945 en 1965 afgestudeerde mijningenieurs om inzicht te krijgen in hun oordeel over de studie, gezien vanuit hun praktijkervaringen. Twee belangrijke wensen kwamen daarbij naar voren: ten eerste diende in het curriculum meer aandacht te worden gegeven aan maatschappij- en bedrijfskundige vakken, ten tweede moest de computer een veel grotere rol spelen in het onderwijs. Zo zou een beter op zijn werkkring voorbereide mijningenieur worden afgeleverd. Het behoeft geen betoog dat van deze aanbevelingen goede nota werd genomen.
De al vele malen uitgestelde verbouwing van “Het Noorden” zou in november 1969 beginnen. Men zocht naar een nieuwe tijdelijke plaats om de Noordenavonden te kunnen voortzetten en vond die op de zolder van de studentenvereniging St. Jansbrug. Gezien de ligging in de stad werd deze “Het Zuiden” gedoopt.
Ook kwam er in deze jaren een einde aan de gewoonte om twee of drie leden van het bestuur om het half jaar te wisselen. Dit werd vroeger gedaan om de nieuwe bestuursleden beter te kunnen inwerken. Maar het bleek nu niet meer nodig te zijn. Een belangrijk nieuw evenement in het mijnbouwbestel vormde de viering van een halflustrum. De gedachte daarbij was dat iedere mijnbouwstudent eenmaal gedurende zijn studie een lustrum of half lustrum moest hebben meegemaakt en nu er plannen waren tot bekorting van de studieduur dreigden hele snelle studenten nooit zo een feest te kunnen vieren als men slechts één maal in de vijf jaar daartoe gelegenheid bood. Op 9 maart 1970 barstten de feestelijkheden los met onder meer een international student week, een congres over Latijns Amerika en een congres over mijnbouwmogelijkheden op de maan. Dit laatste evenement haalde ruimschoots de pers die zeer positief oordeelde over dit initiatief.

Het in werking treden van de eerder genoemde nieuwe bestuurslichamen door de WUB voltrok zich in het cursusjaar 1970-1971, waarbij de door de Mijnbouwkundige Vereeniging voorgestelde leden in die lichamen de taak overnamen die voordien werd vervuld door de vertegenwoordiger van de studenten. Het werd meer en meer toebedeeld aan de studieverenigingen om de studenten in de raden te steunen dan wel te begeleiden. De verenigingen legden zich wat hun eigen activiteiten betrof meer toe op het organiseren van lezingen, excursies en discussie avonden. In tegenstelling tot vroeger maakten een aantal studieverenigingen, waaronder de Mijnbouwkundige Vereeniging, zich los van de naar hun oordeel al te verpolitiekte VSSD.
De opzet van het jaarboek was ook aan verandering onderhevig. Besloten werd om elk jaarboek een centraal thema te geven. De eerste keer van deze nieuwe opzet ging het over Australië. Ook voor de volgende jaarboeken wist men steeds een actueel thema te vinden. Een andere zeer gewaardeerde nieuwigheid was het houden van een jaarboekborrel op de oliezolder onmiddellijk na de uitreiking van het jaarboek.
Het vijfentwintigste NGMSO-congres werd uitbundig gevierd met als titel “Lower Crustal and Upper Mantle Movements”. Al werd het in Leiden gehouden, het bleek dat Leiden en Delft beide de touwtjes duidelijk in handen hadden. Ook op het gebied van de buitenlandse contacten boekt men weer voortgang.
Al was het eind 1969 dat “Het Noorden” zou worden verbouwd, toen daar in januari 1971 nog niets van te bespeuren was, nam de Mijnbouwkundige Vereeniging maar het initiatief om (tijdelijk) terug te keren naar “Het Noorden”, maar nog geen half jaar later moest men er alweer uit omdat de verbouwing toen pas echt begon. Een probleem was het verkrijgen van de vereiste drankvergunning voor het toekomstig verbouwde Noorden. Een bezoek van een drietal Ereleden aan de Delftse Kamer van Koophandel ontmoette bij de secretaris een welwillend oor. Toen deze anekdotes uit zijn eigen studententijd in Leiden begon te vertellen begreep men wel dat alles in orde zou komen. Gedurende de verbouwing verhuisden de Noordenavonden naar een ander Zuiden, de fietsenkelder van het gebouw voor Mijnbouwkunde. AI was “Het Zuiden” “Het Noorden” niet, het bezoek handhaafde zich op een redelijk peil.
De betrokkenheid van de Mijnbouwkundige Vereeniging bij het onderwijs was iets dat zich evenzeer handhaafde. Minder belangstelling had men voor de bezetting van het hoofdgebouw van de T.H. in 1972, politiek was immers geen doel van de Mijnbouwkundige Vereeniging. In zulke zaken bleef men liever neutraal. Wel gaf men wat extra aandacht aan de organisatie van lezingen. Een speciaal daartoe ingestelde commissie kwam met het plan om contacten aan te gaan met het KIVI en het KNGMG waardoor voor de organisatie van lezingen veel werk uit handen van de Mijnbouwkundige Vereeniging kon worden genomen.
Op maandagochtend 23 oktober 1972 werd na de feestelijke opening van het zestiende lustrum in het gebouw voor Mijnbouwkunde een boottocht door de Delftse grachten gemaakt, die eindigde in “Het Noorden”. Men zou het een staaltje van zeemijnbouw op zeer kleine schaal kunnen noemen dat een van de opvarenden haarfijn aanvoelde waar hij ergens in de gracht een gouden sleutel zou kunnen opdiepen; hiermee kon mevrouw Garos het hernieuwde Noorden openen, waarna een gedenkplaat werd onthuld. De terugkeer naar het zo vertrouwde plekje werd natuurlijk op uitbundig vloeibare wijze gevierd. Het was sindsdien ook mogelijk “Het Noorden” te verhuren aan derden. Natuurlijk betekende dit een taakverzwaring voor de Beheerder die sindsdien ook werd bijgestaan door de Noordencommissie. In die dagen was het instituut van de Barbara-avonden op gang gekomen, steeds op de eerste vrijdag van de maand. Aanvankelijk werden hier ook partners van bezoekers toegelaten maar na enige tijd stapte men toch maar weer af van dit idee en beperkte men zich tot éénmaal per jaar tot een geëmancipeerde Barbaraborrel. Een aantal verdere nieuwe activiteiten van de Mijnbouwkundige Vereeniging die jaren betrof de jongerejaars. Enerzijds om hun bezoek aan “Het Noorden” te stimuleren, anderzijds om enig vat te krijgen op de problemen die ze ondervonden bij hun studie werden speciale eerste- en tweedejaars borrels in “Het Noorden” gehouden. Een andere maatregel waaraan velen een ongekend en uitbundig plezier ontleenden was het invoeren van een Annual Dinner, vaak gekoppeld aan de uitreiking van het jaarbock.
Ook verder kende de Mijnbouwkundige Vereeniging haar nieuw verantwoordelijkheid in het onderwijs. Zij zorgde voortaan voor de benoeming van leden in de onderwijscommissie van de afdeling en liet dat niet langer aan de haars inziens nog steeds te verpolitiekte AAG. Bovendien verzorgde zij in samenwerking met de afdeling een verbeterde editie van de papieren patroon.
De volgende jaren waren jaren van voorspoedige groei. Steeds meer leden bezochten “Het Noorden” waar men ook geregeld gasten over de vloer had, zoals besturen van andere studieverenigingen, van andere organisaties en ook van geologen uit andere steden. 1 juni 1979 is een dag die men niet snel zal vergeten. Na rijp beraad met diverse ingewijden besloot het bestuur om prof. de Wijs te benoemen tot Gouden Erelid, de hoogste onderscheiding die de Mijnbouwkundige Vereeniging kan toekennen. Sinds het overlijden van Jan Garos, vijftien jaar eerder, had men het zonder Gouden Erelid moeten stellen. Men wist de argeloze gelukkige op een speciale manier te strikken: eerst door de toenmalige President een tentamen te laten afleggen in een vak waar het slachtoffer zich totaal niet op had voorbereid. Vreemd was dat daarbij steeds meer belangstellenden het tentamen kwamen bijwonen. Vervolgens ging het aldus gevormde gezelschap per speciaal vervoer naar “Het Noorden” waar zich het uiteindelijke ritueel met de, zich steeds onzekerder voelende gelukkige, voltrok. Behalve het zeer speciale insigne kreeg hij een zilveren sigarendoos met het wapen van de Mijnbouwkundige Vereeniging. Velen woonden deze unieke gebeurtenis bij.


De jaren tachtig

Toen de discussie in de afdeling over het al dan niet voortzetten van de Nuldejaarsexcursie ontbrandde, nam de Mijnbouwkundige Vereeniging het initiatief om deze op een iets andere wijze voort te zetten waarbij naast de introductie in de Mijnbouwvakken een introductie in de gewoonten van de vereniging plaats ging vinden.In steeds betere samenwerking met de Delftse zusterverenigingen gaf de Mijnbouwkundige Vereeniging veel aandacht aan de op handen zijnde veranderingen in het studieprogramma in het kader van de naderende tweefasestructuur. Weinig was men zich ervan bewust dat één van de Ereleden ook uitgesproken meningen had over de tweefasestructuur en de studenten die daar anders over dachten besloten hem na zijn gebruikelijke bezoek aan “Het Noorden” te kidnappen. Zo kon het gebeuren dat in het journaal van 4 december 1980 als eerste onderwerp dit gebeuren aan de orde kwam, geïllustreerd met beelden van “Het Noorden”; de nieuwsgaarders hadden er echter geen benul van hoe onschuldig “Het Noorden” soms kan zijn.

Bijna even onschuldig waren de jaarlijks gehouden rugbywedstrijden tussen de Mijnbouwkundige Vereeniging en de London Royal School of Mines, waarbij merkwaardigerwijze de trofee, de Barbarabeker, vrijwel jaarlijks van eigenaar wisselde. De voorspoedige groei van de Mijnbouwkundige Vereeniging in die jaren hing samen met een forse toename in het aantal mijnbouwstudenten. Waren er in 1963, een minimumjaar, nog geen tien eerstejaars, zo een twintig jaar later had men er circa 100. Het was een uitdaging voor het bestuur om te zorgen dat door die massaliteit de band tussen de leden niet vervaagde. Voorhand hoefde men door allerlei maatregelen zich bepaald nog geen zorgen te maken; alleen al het feit dat alle nuldejaars deelnamen aan de inauguratie enkele weken na hun komst in Delft getuigde daarvan.
De jaarboekenreeks werd voortgezet, na het in 1981 uitgekomen vijftigste ging men onvervaard verder en wist men steeds actuele onderwerpen als motto te verzinnen. We noemen de automatisering waarmee het 53ste zich identificeerde onder de veelzeggende titel “Winnen met de Computer”. Een later jaarboek schonk aandacht aan mijnbouw en milieu, een onderwerp dat ook in het studieprogramma was gaan doordringen. De mijnbouwkundige Vereeniging wist landelijk extra aandacht op zich te vestigen toen bij het negentiende lustrum in 1987 als jaarboekspreker dhr. Red Adair en als hoofdspreker op het symposium zijne excellentie Rikwami Lukman, voorzitter van de OPEC optraden, nog onbewust van de gigantische taak die hem drie jaar later in de golf te wachten stond. Eén en ander toont hoe actueel het mijnbouwgebeuren in al zijn facetten in onze wereld is en hoe de Mijnbouwkundige Vereeniging zich daarvan in woord en daad bewust is. Dat bleek ook bij de bemoeiingen inzake de koers van het beleid van de faculteit, samenhangend met het benoemingsbeleid van hoogleraren en de daaruit voortvloeiende accenten in het studieprogramma. De honderdjarige was nog springlevend en is nog steeds vol goede moed in haar tweede eeuw. Uiteraard onder een honderdvoudig Glück Auf!

 

 

Bestuur der MV na de oorlog